Opleggen gedoogplicht op grond van Belemmeringwet privaatrecht

Opleggen gedoogplicht op grond van Belemmeringwet privaatrecht

Gedoogplicht op grond van Belemmeringswet privaatrecht

Een recent gepubliceerde, maar al wat oudere uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage illustreert mooi dat men bij het opleggen van een gedoogplicht op grond van de Belemmeringwet privaatrecht moet toetsen aan het huidige gebruik.

De Belemmeringenwet privaatrecht geeft de minister de mogelijkheid om een grondeigenaar te verplichten dat hij gedoogt dat nutsvoorzieningen in het kader van het algemeen belang worden aangelegd en in stand gehouden. In de zaak die leidde tot de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 16 november 2000 wilde de minister van Verkeer en Waterstaat een kassenexploitant verplichten om te gedogen dat op diens perceel een drinkwatertransportleiding zou worden aangelegd.

De grondeigenaar vond dat die gedoogplicht niet kon worden opgelegd, omdat hij daardoor teveel last zou ondervinden. Hij vond dat, als de transportleiding zou worden aangelegd, hij moest worden onteigend. Daartoe draagt de grondeigenaar aan dat hij al in november 1964 twee vergunningen heeft gekregen voor bedrijfsuitbreiding middels kassenbouw en dat zijn bedrijfsvoering te zeer wordt belemmerd door de transportleiding.

Volgens de minister doet dat niet ter zake. Dit omdat de bouw van de kassen in 1965 al is gestopt, nadat slechts een deel van de fundering was aangelegd. Daarbij komt nog dat de bouw niet was gepland op het perceelsgedeelte waar de waterleiding is gepland. Ook vindt de minister dat de rechter moet kijken naar de huidige planologische bestemming van het perceel, en die is “recreatie”.

Het Gerechtshof volgt het betoog van de minister. De rechter moet kijken naar het actuele gebruik. Het actuele gebruik is weiland (in strijd met de bestemming “recreatie”). Het belang van de grondeigenaar om het actuele gebruik voort te zetten, vergt niet dat de minister de grond onteigent. Wellicht heeft dit ermee te maken dat als de transportleiding eenmaal (ondergronds) is aangelegd, het perceel weer als weiland zou kunnen worden gebruikt.

Naar mijn mening zou een rechter deze kwestie tegenwoordig op vergelijkbare wijze afdoen.

De uitspraak van het Gerechtshof vindt u hier.

Richard van Baalen

Auteur: Richard van Baalen

Email: rvbaalen@aens.nl
T.: 0317 – 425 300

Praktijkgebieden
Civiel- en bestuursrechtelijk agrarisch recht, onroerend goedrecht, algemeen bestuursrecht

Loopbaan
Richard studeerde in 2007 af aan de Universiteit Utrecht, waar hij de master Staats- en Bestuursrecht afrondde. Tijdens en kort na zijn studie was hij griffier bij de Centrale Raad van Beroep. In de twee jaren daarop volgend werkte hij bij een gemeente op de afdeling grondzaken, op het grensvlak tussen het bestuursrecht en het civielrecht. In 2010 trad Richard in dienst bij A&S Advocaten.

Persoonlijk
“Vaak zijn kwesties over Agrarisch recht of Onroerend goedrecht niet puur civiel- of bestuursrechtelijk van aard. De cliënt is er niet altijd mee geholpen om die aandachtsgebieden gescheiden te behandelen. Ik vind het mooi om cliënten een totaaloverzicht voor te kunnen houden. Dat werkt vaak verhelderend. In mijn vrije tijd lees ik graag, bijvoorbeeld over geschiedenis. Ook ben ik vaak te vinden in het bos en het buitengebied, soms op de chopper en soms op hardloopschoenen.”

Nevenactiviteiten

  • Lid Vereniging voor Agrarisch Recht (VAR);
  • Lid (aspirant) Vereniging van Onteigeningsadvocaten (VOA);
  • Lid Vereniging voor Onteigeningsrecht (VvOr);
  • Adviseur kenniswerkgroep Onteigening en Planschade (Nederlandse Vereniging van Makelaars)
  • Docent Academie voor Vastgoed / NVM SOM
  • Divers (kerkelijk) bestuurswerk.

Publicaties

  • Reactie op afwijzing van de voordracht tot vernietiging van ‘Beheersverordening Hellebeuk’ (Tijdschrift voor Omgevingsrecht, mei 2014)
  • De gebrekenregeling: invloed van de planologie – Het huur- en pachtrecht vergeleken (Tijdschrift voor Agrarisch Recht, april 2013)
  • Divers (zie ‘Blog en Nieuws’)