Pachtovereenkomst: beantwoording voorvragen door grondkamer

Pachtovereenkomst: beantwoording voorvragen door grondkamer

De grondkamer heeft als taak het goedkeuren van pachtovereenkomsten. Voorafgaand aan deze goedkeuring kunnen zogenaamde voorvragen rijzen. De bekendste hiervan luidt: is sprake van een pachtovereenkomst? Inmiddels bestaat er vaste jurisprudentie over hoe de grondkamer en de Centrale Grondkamer met deze voorvragen omgaan.

Noodzaak beantwoording voorvragen

Bij de goedkeuring van een pacht(beëindigings)overeenkomst, waarbij voorvragen rijzen, is de grondkamer (waarmee ik tevens bedoel: de Centrale Grondkamer) gehouden voorvragen te beantwoorden. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat beantwoording van de voorvragen noodzakelijk is voor de beoordeling van het ingediende verzoek en een rechterlijk oordeel niet voor handen is.[1]

Eigen beleid per grondkamer

Bij de beantwoording van voorvragen is de wijze waarop de grondkamer hiermee omgaat overgelaten aan het beleid van die kamer. Het antwoord is daarmee afhankelijk van overwegingen van doelmatigheid. Indien de grondkamer het min of meer aannemelijk oordeelt dat de voorvraag in een bepaalde zin dient te worden beslist, zal zij daarvan vervolgens uit kunnen gaan.[2]

Herziening standpunt grondkamer na oordeel rechtbank

Partijen kunnen hun rechtsvragen waarover de grondkamer als voorvraag een oordeel heeft gegeven, aan de (pachtkamer van de) rechtbank voorleggen. De (pacht)rechter is niet gebonden aan het oordeel van de grondkamer. Wanneer de rechter over de hem voorgelegde vraag anders beslist, dan kan dit – afhankelijk van de aard van de voorvraag – tot gevolg hebben dat de grondkamer de zaak opnieuw moet beoordelen, nu met inachtneming van het vonnis van de pachtrechter[3].

Voorbeelden

Wel/geen pachtovereenkomst?

Appellant X stuurt een overeenkomst ter goedkeuring in aan de grondkamer. Voorafgaand aan de goedkeuring moet de grondkamer eerst toetsen of de overeenkomst wel een pachtovereenkomst is. De grondkamer meent van niet en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. De grondkamer overweegt: de strekking van de onderhavige overeenkomst was klaarblijkelijk vooral om appellant de gelegenheid te bieden om zijn bedrijf te herfinancieren. Gelet op de inhoud en de strekking van de overeenkomst is naar het oordeel van de Centrale Grondkamer van een pachtovereenkomst geen sprake. Zou daarover al anders moeten worden geoordeeld, dan is in verband met dezelfde omstandigheden naar het oordeel van de Centrale grondkamer het beroep van appellant op pachtbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Om die reden moet het verzoek tot goedkeuring van de overeenkomst als pachtovereenkomst worden afgewezen.[4]

Geliberaliseerde pachtovereenkomst of niet?

Partijen sturen 3 pachtovereenkomsten voor los land voor de duur van 2 à 3 jaar in aan de grondkamer. De Centrale Grondkamer (CG) acht beantwoording van de voorvraag of deze overeenkomsten kunnen worden aangemerkt als een geliberaliseerde pachtovereenkomst (artikel 7:397, lid 1 BW) noodzakelijk. De CG overweegt verder dat verpachter kennelijk heeft beoogd een toetsing van de tegenprestatie door de grondkamer aan de hoogst toelaatbare prijs te vermijden. Hiervan kan slechts sprake zijn als sprake is van een geliberaliseerde pachtovereenkomst (artikel 7:397, lid 1 BW). Een geliberaliseerde pachtovereenkomst veronderstelt dat een heel aantal wettelijke bepalingen niet van toepassing zijn. Dit betekent niet dat per se deze bepalingen met zoveel woorden door partijen moeten zijn genoemd, maar wel dat partijen hun overeenstemming over en weer in de bedoelde zin hebben begrepen en hebben mogen begrijpen. De omstandigheid dat de overeenkomst voor 2 à 3 jaar is aangegaan, is in dit verband onvoldoende. De CG oordeelt dat geen sprake is van geliberaliseerde pachtovereenkomsten.[5]

Vragen?

Voor eventuele vragen kunt u altijd kosteloos contact met mij opnemen.


[1] Centrale Grondkamer, 5 april 2011, GP 11.642

[2] Centrale Grondkamer, 16 februari 2010, GP 11.616

[3] idem

[4] Centrale Grondkamer, 9 april 2015, GP 11747

[5] Centrale Grondkamer 4 november 2013, GP 11.711

Jan van Vliet

Auteur: Jan van Vliet

e-mail: jvvliet@aens.nl
Tel: 0317 – 745 701

Praktijkgebieden
Agrarisch recht (met name pacht en maatschappen), Ondernemingsrecht en Erfrecht.

Loopbaan
Jan van Vliet startte zijn loopbaan na zijn studie Notarieel Recht en Nederlands Recht aan de VU in Amsterdam, als jurist bij de boerenstandsorganisatie de Friese CBTB te Leeuwarden. Daar was hij werkzaam tussen 1977 en 1983. Daarna was hij tot 1990 als advocaat en procureur verbonden aan het kantoor Boonstra & De Groot te Leeuwarden. In 1990 was Jan een van de medeoprichters van A&S Advocaten en nu is hij een van de vennoten.

Persoonlijk
“Ik ben een boerenzoon en een echt buitenmens. Daar ligt vanzelfsprekend mijn connectie met het agrarisch recht. In onze vrije tijd telen mijn vrouw en ik bloemen, groenten en fruit. Ik hou van wielrennen en schaatsen. Elke zomer ben ik met mijn racefiets op een col in Frankrijk te vinden. Op de schaats heb ik drie keer de Elfstedentocht uitgereden.”

Nevenactiviteiten

  • lid Vereniging Agrarisch Recht
  • bestuurslid Vereniging van Agrarisch Recht Advocaten
  • bestuurslid van een viertal instellingen/verenigingen