Verhuiskostenvergoeding bij renovatie huurwoning

Bij een recente uitspraak op 2 februari 2021 is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2021:964) kennelijk teruggekomen op haar eerder standpunt voor wat betreft het al of niet in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding bij tijdelijke verhuizing naar een logeerwoning/wisselwoning.

Noodzakelijk

In artikel 7:220 BW is bepaald dat de huurder dringende werkzaamheden aan het gehuurde moet dulden. Dat geldt ook voor renovatie, maar dan moet de verhuurder een redelijk voorstel doen. De verhuurder dient in geval van woonruimte verhuiskosten te vergoeden indien verhuizing noodzakelijk is in verband met de renovatie. Het bedrag van de verhuiskostenvergoeding wordt wettelijk vastgesteld.

Standpunt hof 2018

In 2018 kwam het hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2018:10766) tot het oordeel dat een huurder recht heeft op een verhuiskostenvergoeding als de renovatiewerkzaamheden het nodig maken dat de huurder zijn woning tijdelijk verlaat. Het maakte volgens het hof niet uit of de verhuizing slechts beperkt was voor de duur van drie weken. Het hof oordeelde dat het niet uitmaakt of de huurder tijdelijk verblijft in een door de verhuurder aangeboden, volledig gemeubileerde, wisselwoning. Het argument van de verhuurder dat de huurder nauwelijks kosten heeft gehad en dat het verblijf in de wisselwoning gelijk kon worden gesteld aan een vakantie van drie weken, hield destijds bij het hof geen stand.

Afwijking lagere rechters

Deze uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden in 2018 was in afwijking van de meeste uitspraken van de lagere (kanton)rechters. De kantonrechters vonden dat het voor slechts beperkte duur intrek nemen in een volledig ingerichte logeerwoning geen noodzakelijke verhuizing met zich meebracht. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zag dit anders.

Gewijzigd standpunt

Het lijkt erop dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden thans terugkomt op de uitspraak uit 2018. In de uitspraak van 2 februari 2021 stelt het hof Arnhem-Leeuwarden het volgende:

Om in aanmerking te komen voor een verhuiskostenvergoeding, zoals huurder die vordert, moet vaststaan dat aan alle vereisten die artikel 7:220, lid 5 BW noemt, is voldaan. Het moet, aldus het hof, gaan om: (1) renovatiewerkzaamheden die maken dat (2) een verhuizing (3)
noodzakelijk is. Als aan één van die vereisten niet is voldaan, bestaat ook geen recht op verhuiskostenvergoeding“.

In deze uitspraak oordeelt het hof dat er geen sprake is geweest van een verhuizing. Dit in overeenstemming met de kantonrechter in eerste aanleg. De kantonrechter had reeds bepaald dat er geen sprake was van een noodzakelijke verhuizing.

Het hof benadrukt dat de verhuiskostenvergoeding bedoeld is om de kosten te vergoeden die de huurder heeft moeten maken voor de verhuizing van de huisraad (meubels, koelkast, televisie et cetera) uit de eigen woning en kosten om de woning opnieuw in te richten.

Logeerwoning, tijdelijk gebruik

In deze casus heeft verhuurder aan huurder een gemeubileerde en gestoffeerde logeerwoning ter beschikking gesteld. De huurder heeft geen huisraad hoeven over te brengen naar de logeerwoning. Hij heeft ook geen kosten gemaakt om de eigen woning bij terugkomst – na 14 dagen – opnieuw in te richten. Het tijdelijk verplaatsen van huisraad in de woning is niet gelijk te stellen met een verhuizing waarvoor deze vergoeding is bedoeld. Dit geldt ook voor het tijdelijk verplaatsen van de inhoud van de schuur/berging naar een daarvoor bestemde container zodat de werkzaamheden gemakkelijker kunnen worden uitgevoerd, aldus het hof.

Geen recht op verhuiskostenvergoeding bij logeerwoning/wisselwoning

Zoals het er nu uitziet, is de vaste lijn in de jurisprudentie weer terug naar de situatie van voor 2018. Het komt erop neer dat een huurder bij renovatie geen recht heeft op een verhuiskostenvergoeding indien en voor zover hij tijdelijk kan verblijven in een door de verhuurder ter beschikking gestelde logeerwoning/wisselwoning.

Tim Timmermans

Auteur: Tim Timmermans

e-mail: timmermans@aens.nl
Tel: 0317 – 745 701