Jurisprudentie onteigeningrecht (Juni 2014)

In dit met enige regelmaat verschijnende overzicht wordt onteigeningsjurisprudentie uit de voorgaande periode behandeld. Ook aanverwante onderwerpen, zoals planschade , landinrichting en de Belemmeringenwet privaatrecht, passeren de revue.

1. Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:897 (Van Waes / Gemeente Terneuzen)

Geen sanctie op weglaten depotdatum in vonnis

Als de rechtbank (anders dan de wet voorschrijft) in het vonnis waarbij de vervroegde onteigening wordt uitgesproken en de vervroegde plaatsopneming reeds heeft plaatsgehad, geen datum vaststelt waarop rechtbankdeskundigen het advies moeten deponeren, is dat vonnis niet nietig. Appellanten hadden zulks wel bepleit in hun beroep tegen het vonnis (dat niet zag op het vaststellen van de schade, maar enkel op de vervroegde onteigening), aangezien artikel 54j, tweede lid Onteigeningswet daarover geen misverstand laat bestaan. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank inderdaad een fout heeft gemaakt, maar het vonnis blijft in stand. Appellanten hebben geen belang bij hun cassatiemiddel, en de Onteigeningswet bepaalt niet dat overtreding van artikel 54j, lid 2 Onteigeningswet nietigheid met zich brengt. De rechtbank kan alsnog een depotdatum vaststellen.

2. HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:326 (Gemeente Zevenhuizen/Moerkapelle)

Verwachtingswaarde na eliminatie bestemmingsplan

Dit arrest betreft een vervolg op de “juli 2010-arresten” inzake de eliminatieproblematiek (artikel 40c Onteigeningswet). In dit arrest staat enkel de waarde van het onteigende ter discussie. De Hoge Raad oordeelt dat, na eliminatie van het bestemmingsplan, nog (wel) ruimte is voor verwachtingswaarde. De Hoge Raad bevestigt zijn oudere jurisprudentie dat bij de waardebepaling moet worden uitgegaan van een redelijk handelend koper en een redelijk handelend verkoper. Zij houden rekening met per peildatum bestaande voldoende reële verwachtingen, bijvoorbeeld omtrent de wijziging van het bestemmingsplan. Het gerechtshof Den Haag, wier arrest in cassatie ter discussie stond, had geoordeeld dat er geen ruimte was voor verwachtingswaarde. Een belangrijk argument van het hof was dat het onteigende geen deel uitmaakte van een complex. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof. Daartoe overweegt de Hoge Raad dat de ligging in een complex niet doorslaggevend is. De Hoge Raad verwijst de zaak door naar het gerechtshof Amsterdam.

3. HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:834 (X / Staat der Nederlanden)

Combinatie vergelijkingsmethode en residuele berekening toegestaan

Onteigend werd onbebouwde landbouwgrond ten behoeve van realisatie van een hoogwatergeul, waarbij de vrijkomende delfstoffen werden gewonnen. Uit het arrest vloeit voort dat de rechtbankdeskundigen de schadeloosstelling mochten bepalen/begroten met behulp van een combinatie van de vergelijkingsmethode en de residuele methode. De rechtbank mocht (in navolging van deskundigen) aansluiting zoeken bij exploitatiegegevens van een vergelijkbaar project. Tevens herhaalt de Hoge Raad dat de onteigende een premie uit handen breken toekomt als hij vanwege een korte termijn gedwongen is een hogere prijs voor een vervangend object te betalen dan de werkelijke waarde. Daarbij moet voldoende aannemelijk zijn dat de onteigende zijn “oude” activiteiten zal voortzetten op een nieuwe locatie.

4. HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1731 (De Haas / Gemeente Lansingerland)

Gerechtigden tot schadeloosstelling

Dit arrest bevat een (nieuwe) uitzondering op het beginsel dat slechts een beperkte groep personen middels een onteigeningsprocedure schade vergoed kunnen krijgen. In beginsel kunnen enkel de in de artikelen 3 en 4 Onteigeningswet genoemde personen aanspraak maken op schadeloosstelling. Een bekende uitzondering op dit uitgangspunt is de economisch eigenaar, die over de band van de juridisch eigenaar schadeloos gesteld kan worden; de juridisch eigenaar heeft daarbij een plicht om de aan de economisch eigenaar toekomende schade door te betalen (zie onder meer HR 10 augustus 1995, NJ 1996, 614, Rotterdam/Engel). Inzake De Haas/gemeente Lansingerland werd een eigenaar van een tuinbouwbedrijf onteigend. De eigenaar exploiteerde het bedrijf in familieverband. De feitelijke bedrijfsvoering lag bij de zoons van de eigenaar, de eigenaar zelf was daarbij niet (meer) betrokken. De Hoge Raad past een “redelijkheidscorrectie” toe; zonder onteigening zou de eigenaar niet hebben overwogen om de zoons het gebruik te ontzeggen. De Hoge Raad oordeelt dat de zoons geen eigen aanspraak hebben op schadeloosstelling, maar hun schade (bedrijfsschade) kunnen zij over de band van de onteigende vader vergoed krijgen. De (niet onteigende) zoons worden in zekere zin gelijkgesteld met de (wel onteigende) vader. Aanpassingen na tervisielegging onteigeningsstukken Het arrest bevat tevens een toepassing van artikel 39 Onteigeningswet, welk artikel (onder meer) bepaalt dat schade verhogende activiteiten na terinzagelegging van de (administratieve) onteigeningsstukken moeten worden weggedacht. In casu was per peildatum een fundering van een woonhuis aanwezig. Nadien is de woning afgebouwd tot hij wind- en waterdicht was. De waardevermindering ten aanzien van de peildatum was daarmee ongeveer verzesvoudigd. Volgens de Hoge Raad moeten de na peildatum ondernomen activiteiten niet worden weggedacht. De activiteiten waren weliswaar niet noodzakelijk, maar betroffen wel een normale verandering die aansluit bij de wijze en aard van het gebruik ten tijde van de peildatum. NB: over deze zaak is een beeldende documentaire gemaakt, te vinden via uitzending gemist, onder de naam “Oude bomen – een familiekroniek”.

5. Hoge Raad 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8098 (X / Gemeente Sittard-Geleen)

Benoeming rechtbankdeskundigen vereist geen inspraak

De Hoge Raad bepaalt dat, gelet op de spoedeisendheid van een onteigeningsprocedure, de rechtbank een deskundigencommissie mag samenstellen, zonder daarover voorafgaand met partijen te overleggen. 6. Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NR:HR:2013:BY2240 (X / Staat der Nederlanden) Uitgangspunt: samengestelde wettelijke rente toepassen De Hoge Raad bevestigt dat wanneer er door partijen niet is gedebatteerd over de vraag of wettelijke rente enkelvoudig dan wel samengesteld moet worden berekend, er vanuit mag worden gegaan dat (in overeenstemming met artikel 6:119, lid 2 BW) samengestelde rente wordt bedoeld.

Richard van Baalen

Auteur: Richard van Baalen

Email: rvbaalen@aens.nl
T.: 0317 – 425 300