Afstand tussen woningen en fruitboomgaarden: locatiespecifiek onderzoek vereist bij afwijking van de 50 meter

Op 16 december 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) in lijn met de vaste rechtspraak geoordeeld dat een afstand van 50 meter tussen de gevoelige functies en de agrarische bedrijvigheid waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt aangehouden moet worden, tenzij deugdelijk en locatiespecifiek gemotiveerd wordt waarom een kortere afstand mogelijk is. De Afdeling oordeelt dat zowel het rapport PRI 2015 als PRI 2012 daartoe onvoldoende zijn.

Casus

Het bestemmingsplan `Broedershof` maakt 50 grondgebonden woningen mogelijk. Appellanten zijn eigenaren van percelen grond binnen een afstand van 10 tot 22 meter van het plangebied. De percelen van appellanten hebben de bestemming “Agrarisch” en er wordt daarop fruit- en/of boomteelt bedreven en toegestaan. Voor het bespuiten van de bomen worden gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Appellanten stellen dat de afstand tussen de fruitboomgaarden en de nieuwe woningen onvoldoende is en stellen dat het PRI 2015 (1) rapport ten onrechte aan het locatie specifiek onderzoek ten grondslag gelegd is.

De gemeenteraad is bij de beoordeling uitgegaan van het rapport PRI 2015. Gelet op diverse rapportages, zoals de Notitie Spuitzones, het Spuitzone-onderzoek, PRI 2012 en PRI 2015 (2), heeft de gemeenteraad geoordeeld dat sprake is van een acceptabel niveau van driftblootstelling en dat er geen sprake is van belemmering voor de omliggende boomgaarden. De afstanden tussen de woningen en de fruitboomgaarden van appellanten zijn volgens de gemeenteraad toereikend.

De lijn in de rechtspraak

Uit de vaste rechtspraak volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (de woningen) en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordt geacht. De afstand tussen de woningen en de fruitboomgaarden kan worden verkleind, indien daaraan een deugdelijk motivering ten grondslag ligt. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt dat die motivering gebaseerd moet zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855 (Houten)).

Oordeel van de Afdeling

Onder verwijzing naar eerdere uitspraken (ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855 en ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1741) over de deugdelijkheid van het rapport PRI 2015, oordeelt de Afdeling dat het rapport PRI 2015 geen deugdelijke grondslag vormt voor locatiespecifiek onderzoek. PRI 2015 is voor een belangrijk deel gebaseerd om een niet verifieerbaar rapport, het rapport PRI 2014. Het gaat daarbij (met name) om de relatie tussen de verspreidingscurve naar de grond die PRI hanteert en de verspreiding naar de lucht. Verder heeft de Afdeling in deze uitspraken geoordeeld dat slechts op één afstand (7,5 meter vanaf de laatste bomenrij) is gemeten en dat er leemtes bestaan in de kennis over de drift van gewasbeschermingsmiddelen.

De Afdeling ziet geen aanleiding om anders te oordelen over de deugdelijkheid van het rapport PRI 2015 en oordeelt dat de Notitie Spuitzones en het Spuitzone-onderzoek niet deugdelijk zijn om afwijking van de gebruikelijke 50 meter te rechtvaardigen. De Afdeling vernietigt het hele plan.

PRI 2012

De Afdeling oordeelt in afwijking van onder andere ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:869 en ABRvS 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3904 dat ook het rapport PRI 2012 geen deugdelijke grondslag vormt voor locatiespecifiek onderzoek en niet aan het effect van driftreducerende maatregelen in het locatie specifiek onderzoek ten grondslag kan worden gelegd. In het rapport PRI 2012 is dezelfde beoordeling van de driftblootstelling opgenomen als in PRI 2015.

Conclusie

De Afdeling bevestigt dat afstanden kleiner dan 50 meter niet zonder grondig onderzoek kunnen worden geaccepteerd. Als een gemeenteraad een kleinere afstand dan 50 meter wil hanteren tussen gevoelige functies en fruitboomgaarden, moet hij dat deugdelijk motiveren op basis van een zorgvuldig en op de locatie toegesneden onderzoek. Aan dat onderzoek worden hoge eisen gesteld, nu gewasbeschermingsmiddelen ernstige negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van mensen. De Afdeling bevestigt dat PRI 2015 niet als grondslag voor locatiespecifiek onderzoek kan dienen en dat ook PRI 2012 geen deugdelijke grondslag voor locatiespecifiek onderzoek vormt. Een afwijking van de 50 meter kan met die rapporten niet deugdelijk worden onderbouwd.

 
(1) PRI: onderzoeksinstituut Plant Research International.
(2) PRI 2012: het rapport “Onderzoek naar driftblootstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Tholen” (PRI rapport 441, maart 2012) van Wageningen University & Research / PRI 2015: het rapport “Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen” (PRI-rapport 609, mei 2015) van Wageningen University & Research.
Ewa Koryzna

Auteur: Ewa Koryzna

mr E.I. (Ewa) Koryzna
E: ekoryzna@aens.nl
T: 0317 – 745 707