Huwelijksgoederengemeenschap en vergoedingsrechten (januari 2009)

Inleiding

Met regelmaat worden er tussen “voormalig” echtgenoten procedures gevoerd over de vraag of bij de vaststelling van vergoedingsrechten aan de huwelijksgoederengemeenschap na investering in het privévermogen van een echtgenoot het nominaliteitsbeginsel of de beleggingsleer moet worden toegepast. Volgens het standaard arrest Kriek/Smit van de Hoge Raad heeft de gemeenschap slechts recht op betaling van het ter beschikking gestelde nominale bedrag. In zeer uitzonderlijke omstandigheden kan op grond van de redelijkheid en billijkheid van de nominaliteitsleer worden afgeweken. In een arrest van 15 februari 2008 heeft de Hoge Raad een dergelijke uitzondering aanwezig geacht. Hieronder wordt in hoofdlijnen het arrest weergegeven.

Arrest

In die zaak waren partijen in gemeenschap van goederen gehuwd en tot de gemeenschap behoorde de oorspronkelijke echtelijke woning, waarvan de opbrengst was geïnvesteerd in een nieuwe echtelijke woning, die door natrekking eigendom was geworden van de vrouw als gevolg van het feit dat het perceel waarop deze woning was gebouwd door een testamentaire uitsluitingsclausule buiten de gemeenschap viel. Het gerechtshof Arnhem vond van belang dat het feit, dat de waardestijging van de echtelijke woning geheel in het vermogen van de vrouw vloeit, niet kan worden beschouwd als een door partijen beoogd gevolg, maar dat dit voortvloeit uit de wilsbeschikking van de erflater en de wettelijke natrekkingsbepaling. Daarnaast vond het hof van belang dat de woning in belangrijke mate was gefinancierd met de opbrengst van de voormalige tot de huwelijksgemeenschap behorende echtelijke woning. Op grond van deze omstandigheden heeft het hof geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw volstaat met vergoeding van het nominale bedrag dat aan de gemeenschap is onttrokken. In plaats daarvan moet de vrouw een vergoeding betalen die er op neerkomt dat dit bedrag wordt vermeerderd in evenredige mate met de waardestijging van de tweede echtelijke woning. De Hoge Raad is van mening dat dit oordeel van het hof, gebaseerd op de bijzondere omstandigheden van het geval, niet getuigd van een onjuiste rechtsopvatting.

Conclusie

Het gaat in de besproken zaak om bijzondere omstandigheden. Het lijkt er niet op dat de Hoge Raad met dit arrest afstand neemt van het uitgangspunt van nominale vergoeding. Er is sprake van een uitzondering op de hoofdregel, waarbij de hoofdregel van nominale vergoeding ongewijzigd van kracht blijft. In het wetsvoorstel “aanpassing van de wettelijke gemeenschap van goederen” wordt uitgegaan van de beleggingsleer in geval van vermogensoverhevelingen tussen echtgenoten. Uit jurisprudentie blijkt echter dat de Hoge Raad niet bereid is om op dit wetsvoorstel te anticiperen, zodat een beroep hierop niet zal slagen.

Dit artikel is tot stand gekomen in samenwerking met mr F.C. Hilderink, advocaat bij A&S Advocaten te Wageningen.

Auteur: AenS Advocaten

T: 0317-42 53 00
E: wag@aens.nl