Ook burgerlijke rechter veroordeelt Staat tot vergoeding ´koersschade´ fosfaatrechten

Door de onrechtmatige intrekking van fosfaatrechten hebben veel vleesveehouders schade geleden. Eerder veroordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) de Staat tot vergoeding van deze schade. De burgerlijke rechter kwam in zijn vonnis van 11 augustus 2021 tot een zelfde oordeel. Dit vonnis biedt perspectief voor (vlees)veehouders, die door de onrechtmatige intrekking van hun fosfaatrechten meer dan € 25.000,– schade hebben geleden. Het CBb mag beslissen over schadebedragen tot € 25.000,–, maar de rechtbank is bevoegd over alle schades te beslissen.

Wat speelde er?

Aan een veehouder werden op 13 januari 2018 626 kg fosfaatrechten toegekend. Op 25 mei 2018 verkocht hij 325,55 kg, waarbij hij RVO melding heeft gedaan van overdracht van 293 kg fosfaatrechten netto. De veehouder overleed op 5 juni 2018. Zijn erfgenamen hebben het restant aantal fosfaatrechten op 24 juli 2018, totaal 270,72 kg verkocht voor € 225,– per kg netto aan een handelaar. De handelaar had de koopsom direct voldaan. RVO heeft de gemelde overgang niet uitgevoerd.

De minister van LNV (RVO voor haar) heeft op 18 september 2018 het aantal fosfaatrechten herzien tot 367 kg. RVO heeft de overgang van de fosfaatrechten van de eerste verkoop geregistreerd. De tweede overdracht kon niet geheel worden uitgevoerd. De erven hebben de koop ontbonden voor het aantal fosfaatrechten dat zij niet konden leveren. Zij hadden dat deel van de koopsom terug gestort.

De erven hadden bezwaar ingediend tegen de intrekking van de fosfaatrechten. Dat is uiteindelijk gegrond verklaard en het aantal fosfaatrechten is op 30 oktober 2019 weer herzien op 626 kg. Daarna hebben de erven de fosfaatrechten verkocht voor de toen geldende, lagere marktwaarde van € 142,– per kg, bovendien met een afromingspercentage van 20%. De erven hebben schadevergoeding gevorderd van de Staat voor de onrechtmatige intrekking.

Standpunt Staat

De Staat erkent de onrechtmatige daad, maar stelt dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste (artikel 6:163 BW). Het relativiteitsvereiste houdt in dat er alleen een verplichting bestaat tot schadevergoeding, wanneer de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals benadeelde die heeft geleden. Met andere woorden: volgens LNV zijn de fosfaatrechten bedoeld om de mestproductie in toom te houden en niet om te handelen, voordeel of koerswinst te halen.

Oordeel rechtbank

Met de herziening op 30 oktober 2019 staat de onrechtmatigheid van de intrekking van de fosfaatrechten vast. De Staat erkent ook de aansprakelijkheid. De erven hebben voldoende aangetoond dat er een koopovereenkomst is gesloten met de handelaar. Het maakt daarbij niet uit dat de levering zou plaatsvinden aan een derde (melkveehouder). Ook is aangetoond dat de koopovereenkomst gedeeltelijk is ontbonden door de onrechtmatige intrekking van de fosfaatrechten.

Volgens de rechtbank is er een causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de schade. Ook aan het relativiteitsvereiste is voldaan. De Meststoffenwet beoogt niet alleen het aantal fosfaatrechten vast te stellen, maar ook de overdracht via het verhandelen daarvan. De rechtbank verwijst naar de uitspraak hierover van 13 juli 2021 van het CBb (ECLI:NL:CBB:2021:729).

Hoe nu verder?

De kans is groot dat de Staat tegen dit vonnis in beroep gaat. Als u ook schade heeft geleden door onrechtmatige intrekking, adviseer ik u niet die uitkomst af te wachten. De wachttijden bij de rechtbank Den Haag zijn erg lang. Als u na de uitspraak van het hof pas begint met uw vordering duurt het nog jaren eer u uw geleden schade terugziet.

Meer info?

Dit vonnis is nog niet gepubliceerd. Heeft u vragen of opmerkingen? Bel of mail gerust.

Jacoline Kroon

Auteur: Jacoline Kroon

E: jkroon@aens.nl
T: 085 – 48 77 400