Rechtbank oordelingsbevoegd bij arbitrageovereenkomst?

Inleiding

Is de rechtbank bevoegd om te oordelen over een geschil als partijen eerder een arbitrageovereenkomst hebben gesloten? In een uitspraak van 1 oktober 2018 van de rechtbank Midden-Nederland komt deze vraag aan de orde (ECLI:NL:RBMNE:2018:5855).

Het geschil

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben samengewoond in een woning die eigendom is van de man. In dit kader hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat de vrouw ter financiering van de verbouwing van de woning € 60.000,– heeft ingebracht, waardoor zij gedurende de looptijd van de overeenkomst een niet-opeisbare vordering heeft op de man. In de samenlevingsovereenkomst is tevens een arbitragebeding opgenomen.

De vrouw heeft bij de rechter veroordeling van de man tot betaling van € 53.000,– gevorderd, zijnde het volgens haar nog resterende door de man aan haar verschuldigde bedrag. De man is van oordeel dat de rechtbank onbevoegd is te oordelen over dit geschil, omdat partijen een arbitragebeding zijn overeengekomen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank merkt allereerst het volgende op. De wet bepaalt dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). Dit kan ook meebrengen dat een arbitragebeding in een samenlevingsovereenkomst buiten toepassing moet blijven. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

In deze zaak staat vast dat het voeren van een arbitrageprocedure voor de vrouw financieel niet haalbaar is. Zij heeft niet het geld om een dergelijke procedure te financieren. In deze zaak zou de vrouw minimaal € 10.000,– in depot moeten storten bij het Nederlands Arbitrage Instituut. Bij de rechtbank daarentegen procedeert de vrouw op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand (toevoeging) waardoor haar (voorlopige) eigen aandeel in de kosten relatief gering is.

Gelet hierop is de rechtbank het met de vrouw eens dat zij onder die omstandigheden geen effectieve toegang heeft tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, welk recht is vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het beroep van de man op het arbitragebeding is daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De slotsom is dat de rechtbank bevoegd is.

Wenk

Een interessante uitspraak, en niet alleen voor het familierecht. In bijvoorbeeld de agrarische praktijk komen in maatschapscontracten regelmatig arbitragebedingen voor.

Dergelijke arbitrageprocedures zijn vaak erg kostbaar. Mocht een partij hiertoe niet de financiële middelen hebben, dan zou in zo’n geval bepleit kunnen worden dat de rechter bevoegd is op grond van de redelijkheid en billijkheid.

Auteur: AenS Advocaten

T: 0317-42 53 00
E: wag@aens.nl